Shockwave therapie: wetenschap en toepassingen
Inleiding
Shockwave therapie, ook bekend als extracorporale shockwave therapie (ESWT), kan binnen de fysiotherapie een mogelijke behandeloptie zijn bij bepaalde pees-, spier- of kalkgerelateerde klachten. De wetenschappelijke onderbouwing, verwachte meerwaarde en geschiktheid verschillen per indicatie, patiëntcontext, behandelgeschiedenis en contra-indicaties.
Daarom vraagt toepassing altijd om klinisch redeneren, goede screening, heldere uitleg aan de patiënt en zorgvuldige afstemming met het verdere behandelplan. Shockwave staat zelden op zichzelf, maar wordt in de praktijk vaak gecombineerd met belastingadvies, oefentherapie, leefstijlfactoren, herstelmonitoring en waar nodig multidisciplinaire samenwerking.
In dit artikel komen de volgende onderwerpen aan bod:
- Het mogelijke werkingsmechanisme van shockwave therapie.
- Indicaties en overwegingen in de eerstelijnszorg.
- Verschillen tussen radiale en gefocusseerde shockwave therapie.
- Praktische toepassing, zoals de naviculair drop test (NDT).
- Multidisciplinaire samenwerking en doorverwijzing.
- Praktische aandachtspunten vanuit de praktijk.
- Richtlijncontext en klinische afweging.
- Integratie van shockwave therapie in de praktijk.
- Literatuurlijst.
- Conclusie.
1. Mogelijk werkingsmechanisme van shockwave therapie
Shockwave therapie maakt gebruik van akoestische impulsen die mechanische prikkels in het weefsel kunnen veroorzaken. In de literatuur worden verschillende mogelijke biologische effecten beschreven. De exacte klinische betekenis hiervan kan per indicatie verschillen.
1.1 Mechanische stimulatie en weefselreactie
- Lokale prikkel: Shockwave kan een mechanische prikkel geven aan aangedaan weefsel. Dit kan mogelijk bijdragen aan een lokale herstelreactie.
- Celactivatie: In onderzoek worden effecten beschreven op groeifactoren en celactiviteit, maar de vertaling naar klinisch herstel is afhankelijk van de indicatie en patiëntcontext.
- Collageenremodellering: Bij peesklachten kan shockwave mogelijk een rol spelen binnen een breder herstelproces waarin ook belastingopbouw en oefentherapie belangrijk blijven.
1.2 Doorbloeding en weefselherstel
- Microcirculatie: Shockwave kan mogelijk invloed hebben op lokale doorbloeding en weefselreacties.
- Herstelomgeving: Een gunstig herstelklimaat vraagt meestal ook om passende belasting, voldoende herstel, goede begeleiding en het aanpakken van onderhoudende factoren.
1.3 Pijnmodulatie
- Pijnverwerking: Shockwave kan mogelijk invloed hebben op pijngevoeligheid en lokale pijnmechanismen.
- Reactie na behandeling: Tijdelijke napijn of gevoeligheid kan voorkomen. Goede uitleg vooraf is belangrijk om realistische verwachtingen te geven.
- Individuele respons: Niet iedere patiënt reageert hetzelfde. Regelmatige evaluatie blijft daarom essentieel.
1.4 Kalkafzettingen
- Calcificaties: Bij bepaalde kalkgerelateerde peesklachten kan shockwave worden overwogen. De keuze hangt af van locatie, grootte, duur van de klachten, mate van beperking en eerdere behandelingen.
- Beeldvorming: Echografie of andere beeldvorming kan helpen bij het beoordelen van de indicatie, maar moet altijd worden gecombineerd met het klinische beeld.
2. Indicaties en overwegingen in de eerstelijnszorg
Shockwave therapie wordt in de praktijk vooral overwogen bij langdurige of hardnekkige musculoskeletale klachten waarbij conservatieve begeleiding onvoldoende resultaat geeft of waarbij specifieke indicaties aanwezig zijn. Het blijft belangrijk om per patiënt te beoordelen of shockwave passend is.
2.1 Peesaandoeningen
- Achillespeesklachten — insertieel of midsubstantieel.
- Patellapeesklachten — zoals jumper’s knee.
- Rotator cuff-gerelateerde schouderklachten.
- Laterale elleboogklachten — vaak tenniselleboog genoemd.
- Mediale elleboogklachten — vaak golferselleboog genoemd.
- Gluteale tendinopathie — bijvoorbeeld bij trochanter major pijnsyndroom.
2.2 Kalkgerelateerde peesklachten
Bij kalkafzettingen in peesweefsel, bijvoorbeeld rond de schouder, kan shockwave in sommige situaties worden overwogen. De grootte, locatie, fase van de klacht, pijnpresentatie en functionele beperking zijn hierbij relevant.
- Kleine of minder duidelijke calcificaties: vaak eerst beoordelen in samenhang met klachtenbeeld en belasting.
- Duidelijk aanwezige calcificaties: kunnen aanleiding zijn om shockwave te overwegen, zeker wanneer klachten langdurig aanwezig zijn.
- Grote of dieper gelegen calcificaties: hierbij kan gerichtere diagnostiek of samenwerking met andere disciplines zinvol zijn.
2.3 Plantaire fasciopathie en hielpijn
- Bij langdurige hielpijn of plantaire fasciopathie kan shockwave soms worden overwogen als onderdeel van een breder behandelplan met belastingadvies, oefentherapie, schoeiseladvies en eventueel podotherapeutische beoordeling.
2.4 Mediaal Tibiaal Stress Syndroom (MTSS)
- Bij hardnekkige scheenbeenklachten kan shockwave soms als aanvullende behandeloptie worden besproken. Belastingopbouw, trainingsaanpassing, schoeisel, kracht, looppatroon en herstelcapaciteit blijven hierbij belangrijk.
2.5 Myofasciale pijnklachten
- Shockwave wordt in sommige praktijken toegepast bij spier- en triggerpointgerelateerde klachten. De onderbouwing en meerwaarde kunnen per klachtbeeld verschillen.
2.6 Peesplaat- en bindweefselgerelateerde aandoeningen
- Morbus Dupuytren — hand.
- Morbus Ledderhose — voet.
Bij dit soort aandoeningen is goede indicatiestelling extra belangrijk. Bespreek duidelijk wat het doel van behandeling is en wanneer verwijzing of overleg met een andere discipline passender is.
2.7 Bot- en stressgerelateerde klachten
- Bij botgerelateerde problematiek of stressreacties is voorzichtigheid belangrijk. Shockwave is hierbij geen standaard eerste stap en vraagt om duidelijke diagnostiek, passende medische afstemming en zorgvuldige indicatiestelling.
3. Radiale versus gefocusseerde shockwave therapie
3.1 Radiale shockwave therapie (RSWT)
- Werkingsprincipe: De energie verspreidt zich meer radiaal vanuit het contactpunt op de huid.
- Dieptewerking: Wordt vooral toegepast bij meer oppervlakkig gelegen structuren.
- Toepassingen: Kan worden overwogen bij bepaalde oppervlakkige pees-, spier- of fasciegerelateerde klachten.
- Praktisch voordeel: Geschikt voor een wat breder behandelgebied en vaak goed toepasbaar in de fysiotherapiepraktijk.
3.2 Gefocusseerde shockwave therapie (FSWT)
- Werkingsprincipe: De energie wordt meer geconcentreerd op een specifieker focuspunt.
- Dieptewerking: Kan worden ingezet bij dieper gelegen structuren, afhankelijk van apparatuur en indicatie.
- Toepassingen: Kan worden overwogen bij bepaalde dieper gelegen klachten of kalkgerelateerde indicaties.
- Praktisch aandachtspunt: Niet iedere praktijk beschikt over gefocusseerde shockwave-apparatuur.
3.3 Keuze tussen RSWT en FSWT
- Locatie en diepte: De ligging van de aangedane structuur speelt een belangrijke rol.
- Type klacht: Peesklacht, spierklacht, fascieklacht of kalkgerelateerde klacht vragen om een andere afweging.
- Beschikbare apparatuur: Niet alle praktijken bieden beide vormen aan.
- Klinisch beeld: De keuze moet altijd passen bij de klacht, de patiënt en het bredere behandelplan.
3.4 Vind een praktijk met shockwave therapie
- Voor een overzicht van praktijken die shockwave therapie aanbieden, kun je onder andere terecht op de website ShockwaveNet.
4. Praktische toepassing: de naviculair drop test (NDT)
De naviculair drop test is een eenvoudig klinisch meetinstrument dat inzicht kan geven in de mate waarin de voetboog verandert tussen zitten en staan. Dit kan relevant zijn bij klachten waarbij voetfunctie, belasting en bewegingsketen een rol spelen.
4.1 Uitvoering van de NDT
- Zittende positie: Laat de patiënt zitten met beide voeten plat op de grond. Markeer het meest prominente punt van het os naviculare en meet de afstand tot de grond.
- Staande positie: Laat de patiënt opstaan en gelijkmatig op beide voeten steunen. Meet opnieuw de afstand van het os naviculare tot de grond.
- Berekening: Het verschil tussen de zittende en staande meting is de naviculair drop.
4.2 Interpretatie
- De interpretatie van de NDT moet altijd plaatsvinden in combinatie met het totale klinische beeld.
- Een grotere naviculair drop kan wijzen op meer beweging van de voetboog, maar is op zichzelf geen diagnose.
- Relevante contextfactoren zijn onder andere pijnlocatie, belasting, sport, schoeisel, kracht, looppatroon en eerdere klachten.
4.3 Waarom kan de NDT relevant zijn?
- Klinisch redeneren: De test kan helpen om voetfunctie mee te nemen in de analyse van klachten aan voet, enkel, onderbeen, knie, heup of lage rug.
- Behandelplan: Bij duidelijke aanwijzingen voor een relevante voetcomponent kan overleg met of verwijzing naar een podotherapeut passend zijn.
- Herstelbelemmerende factoren: Wanneer voetfunctie of belasting een onderhoudende factor lijkt, kan dit worden meegenomen in het behandelplan.
4.4 Praktische tip
- Gebruik de NDT niet als losstaande beslisregel, maar als onderdeel van een bredere analyse.
- Bij hielpijn, MTSS of terugkerende belastingklachten kan samenwerking met een podotherapeut zinvol zijn, vooral wanneer schoeisel, voetfunctie of looppatroon een duidelijke rol lijkt te spelen.
5. Het belang van multidisciplinaire samenwerking en doorverwijzing
5.1 Samenwerking met podotherapeuten
- Wanneer zinvol: Bij duidelijke aanwijzingen voor voetgerelateerde belasting, terugkerende klachten of onvoldoende herstel ondanks adequate begeleiding.
- Mogelijke meerwaarde: Een podotherapeut kan aanvullend onderzoek doen naar voetfunctie, drukverdeling, schoeisel en eventuele hulpmiddelen.
- Afstemming: De meerwaarde is het grootst wanneer adviezen over belasting, oefeningen, schoeisel en eventuele zooltherapie goed op elkaar worden afgestemd.
5.2 Samenwerking met andere disciplines
Multidisciplinaire samenwerking kan zinvol zijn bij complexe, langdurige of onvoldoende verklaarde klachten. Denk aan overleg met de huisarts, sportarts, podotherapeut, orthopedisch specialist of andere zorgprofessional wanneer het klinische beeld daar aanleiding toe geeft. Het doel is niet om zorg onnodig uit te breiden, maar om de juiste expertise op het juiste moment te betrekken.
5.3 Praktische tips uit de praktijk
- Communicatie: Stem af wanneer dit daadwerkelijk iets toevoegt aan het behandeltraject.
- Verwachtingsmanagement: Leg duidelijk uit wat shockwave wel en niet kan betekenen.
- Patiëntbetrokkenheid: Bespreek samen de opties, onzekerheden, mogelijke reacties en evaluatiemomenten.
Een doelgerichte samenwerking vanuit klinisch redeneren kan helpen om onderhoudende factoren beter in beeld te krijgen en het behandelplan realistischer en passender te maken.
6. Praktische aandachtspunten vanuit de praktijk
6.1 Ervaringen met shockwave therapie
- Individuele respons: Niet iedere patiënt reageert hetzelfde. Bespreek vooraf dat uitkomst en snelheid van herstel kunnen verschillen.
- Aantal sessies: In de praktijk wordt vaak gewerkt met meerdere sessies, maar het aantal behandelingen hangt af van indicatie, reactie en voortgang.
- Nazorg: Relatieve rust, goede belastingopbouw en oefentherapie blijven belangrijk.
- Evaluatie: Evalueer regelmatig of voortzetten zinvol is. Bij onvoldoende reactie is het verstandig om het behandelplan te heroverwegen.
6.2 Aandachtspunten en contra-indicaties
- Contra-indicaties en voorzorg: Denk onder andere aan maligniteit in het behandelgebied, zwangerschap in relatie tot het behandelgebied, acute infecties, ernstige stollingsproblemen, gebruik van antistolling, pacemaker of implantaten nabij het behandelgebied en neurologische stoornissen met verminderde sensibiliteit.
- Voorzichtigheid bij: Recent ontvangen corticosteroïdeninjecties, hoge pijngevoeligheid, onvoldoende diagnostische duidelijkheid of klachten met een afwijkend beloop.
- Screening: Bij alarmsignalen, duidelijke medische twijfel of onvoldoende verklaarde klachten is overleg met de huisarts of passende verwijzing belangrijk.
7. Richtlijncontext en klinische afweging
Bij veel musculoskeletale klachten ligt de nadruk in richtlijnen op uitleg, geruststelling waar passend, belastingadvies, oefentherapie, tijdig herkennen van alarmsignalen en het voorkomen van onnodige medicalisering. Shockwave is daarom meestal geen standaard eerste stap, maar kan bij bepaalde indicaties en na zorgvuldige afweging worden besproken.
7.1 Eerst conservatief waar passend
- Bij klachten zoals hielpijn, peesklachten of elleboogklachten is een conservatieve aanpak vaak de basis.
- Denk aan uitleg, belastingaanpassing, oefentherapie, ergonomisch advies, trainingsopbouw en het aanpakken van onderhoudende factoren.
- Shockwave kan eventueel worden overwogen wanneer klachten langdurig aanwezig zijn, onvoldoende verbeteren of wanneer specifieke indicaties aanwezig zijn.
7.2 Klinische afweging
- De keuze voor shockwave moet passen bij de hulpvraag, duur van de klachten, eerdere behandelingen, mate van beperking, patiëntvoorkeuren en contra-indicaties.
- Bespreek de onzekerheden eerlijk: shockwave kan bij sommige patiënten helpen, maar geeft geen gegarandeerd herstel.
- Combineer shockwave waar passend met oefentherapie, belastingopbouw en evaluatie van onderhoudende factoren.
7.3 Praktijkvoorbeeld
Bij een patiënt met langdurige hielpijn waarbij uitleg, belastingaanpassing, oefeningen en schoeiseladvies onvoldoende verbetering geven, kan shockwave worden besproken als mogelijke aanvullende behandeloptie. Daarbij blijft het belangrijk om voetfunctie, belasting, herstelgedrag en eventuele podotherapeutische factoren mee te nemen in het behandelplan.
8. Integratie van shockwave therapie in de praktijk
8.1 Scholing en training
- Scholing: Volg passende scholing voor het gebruik van radiale of gefocusseerde shockwave therapie.
- Competentie: Zorg dat indicatiestelling, contra-indicaties, dosering, uitleg en evaluatie zorgvuldig worden toegepast.
- Bijscholing: Houd kennis actueel en blijf kritisch kijken naar nieuwe literatuur en richtlijnontwikkelingen.
Tip: Interesse in een digitale cursus over shockwave therapie? De Shockwave Therapy Video Course biedt online scholing over theorie en praktische toepassing. Beoordeel altijd zelf of de inhoud past bij je eigen scholingsbehoefte en professionele context.
8.2 Apparaatkeuze
- Kwaliteit: Kies voor betrouwbare apparatuur die past bij de beoogde toepassing.
- Instellingen: Let op mogelijkheden voor dosering, frequentie, energie-instelling en behandelkoppen.
- Gebruik: Zorg dat behandelparameters niet routinematig, maar passend bij indicatie en patiëntreactie worden gekozen.
8.3 Gebruik van echografie
- Aanvullende informatie: Echografie kan helpen bij het beoordelen van weefselstructuren, calcificaties of peesveranderingen.
- Gericht behandelen: Beeldvorming kan ondersteunen bij het lokaliseren van relevante structuren.
- Beperking: Beeldvorming vervangt niet het klinisch onderzoek en moet altijd in context worden geïnterpreteerd.
8.4 Praktische tip
Integreer shockwave therapie alleen wanneer het past binnen een duidelijk behandelplan. Leg vast waarom je de behandeling inzet, wat het verwachte doel is, wanneer je evalueert en wanneer je stopt of bijstuurt.
9. Literatuurlijst
Rompe JD, Maffulli N, de Bie RA. Low-energy shock wave therapy for the treatment of chronic plantar fasciitis. The Journal of Bone and Joint Surgery.
Furia JP, Rompe JD, Maffulli N. Low-energy extracorporeal shock wave therapy as a treatment for medial tibial stress syndrome. The American Journal of Sports Medicine.
Moen MH, Rayer S, Schipper M, et al. Shockwave treatment for medial tibial stress syndrome in athletes. British Journal of Sports Medicine.
Cook JL, Purdam CR. Is tendon pathology a continuum? British Journal of Sports Medicine.
Gerdesmeyer L, et al. Radial extracorporeal shock wave therapy in chronic plantar fasciitis. American Journal of Sports Medicine.
Speed C. A systematic review of shockwave therapies in soft tissue conditions. British Journal of Sports Medicine.
Nederlandse Vereniging voor Extracorporale Shockwave Therapie. Raadpleeg actuele richtlijnen, protocollen en scholingsinformatie via de betreffende beroeps- of vakorganisaties.
NHG. Raadpleeg altijd de meest actuele NHG-Standaarden en behandelrichtlijnen voor de relevante klacht of aandoening.
10. Conclusie
Shockwave therapie kan binnen de fysiotherapie een mogelijke behandeloptie zijn bij bepaalde pees-, spier-, fascie- of kalkgerelateerde klachten. De geschiktheid verschilt per indicatie, patiënt, klachtduur, behandelgeschiedenis, contra-indicaties en verwachtingen.
De meerwaarde zit vooral in zorgvuldige indicatiestelling, duidelijke uitleg, realistische verwachtingen en integratie binnen een breder behandelplan. Daarbij blijven belastingopbouw, oefentherapie, klinisch redeneren, evaluatie en waar nodig multidisciplinaire samenwerking belangrijk.
Shockwave is daarmee geen standaardoplossing voor iedere klacht, maar kan bij zorgvuldig geselecteerde patiënten een aanvullende rol hebben binnen passende fysiotherapeutische zorg.
Opmerking
Dit artikel is bedoeld om zorgprofessionals te informeren en te ondersteunen bij klinisch redeneren rond shockwave therapie. De informatie is algemeen van aard en vervangt geen actuele richtlijnen, scholing, professionele beoordeling of individuele patiëntgebonden afweging.








